Posts tonen met het label No Notes No Number. Alle posts tonen
Posts tonen met het label No Notes No Number. Alle posts tonen


Volume 9:

Pink Floyd - Echoes (1971)

Een signaal van verre oorsprong dringt de Melkweg binnen, bereikt de randen van ons zonnestelsel, trekt voorbij de buitenplaneten, wordt opge- pikt door een ruimtesonde dat het verder geleidt tot in de atmosfeer van de Aarde, alwaar het eindigt

“deep beneath the rolling waves
in labyrinth of coral caves,
the echo of a distant time
comes willowing across the sand.”

Dit is het beeld dat de dvd ‘Live at Pompeï’ oproept tijdens het minutenlan- ge intro van ‘Echoes’. Wellicht een te romantische interpretatie van een song, dat een collage is van losse thema’s en toevallig verkregen geluiden. Zo liepen de heren wat verveeld rond in de studio, zat Rick Wright een beetje te rommelen met een synthesizer en toen zei Roger Waters “speel dat nog eens”. Het was het geluidje uit de opening.
Na het mysterieuze intro volgt de prachtige samenzang van David Gilmour en Rick Wright. Op een manier die Pink Floyd vaker bracht: een trage melodie, mooie woorden, een beetje op de achtergrond, een beetje onbe- grijpelijk (tempo: 1 kwartnoot = 66):


U moet het ritme
met vrijheid benaderen, want zangers houden zich nooit precies aan strakke metriek. Het ziet er allemaal zo simpel uit, maar wat een mooie wending aan het eind van zin twee. Wright en Gilmour zingen de originele versie een halve toon lager, maar dan had ik u opgezadeld met zes kruisen en dan had u dagen moeten oefenen om deze progmelodie goed tussen de schuifdeuren uit te laten komen.
Na twee zangcoupletten volgt een klein thema, dat uit een studieboek deel 1 had kunnen komen, maar dat zó effectief is, dat het eindeloos door kan gaan zonder tot verveling te leiden (tempo: 1 kwartnoot = 66):



Gitaristen
en bassisten spelen het thema bij voorkeur een octaaf lager en terwijl de basis intact blijft wordt er, met name door Gilmour en Mason, volop gevarieerd. Tot nu toe stoelt de muziek slechts op een accoord of vier en deze vier blijven gedurende de hele epic doordreunen. Ook dit is kenmer- kend voor Pink Floyd en iets waarmee ze zich wisten te onderscheiden van tijdgenoten als Genesis en Yes. Na vele uitweidingen op deze basis belanden we aan het slot van ‘Echoes’ weer in ruimtesferen en mag de zangmelodie terugkeren voor een passend einde.
Misschien is het ruimteverhaal klinkklare onzin, want “It originally referred to the meeting of two celestial bodies, but perhaps because of Water’s increasing concerns that Pink Floyd was being pigeonholed as a space- rock band, the lyrics were rewritten to use underwater imagery instead.” Maar ach, is dat eigenlijk niet het mooiste dat er bestaat: een muziekstuk componeren, waarbij de luisteraar geprikkeld wordt de eigen fantasie aan te spreken? Peter Swart (10-2008)

Dit artikel verscheen ook in iO Pages nr 82


Volume 8:
Emerson, Lake, Palmer – Pictures at an Exhibition (1971)

Heeft u zich
ook weleens afgevraagd waarom het publiek zo enthousiast reageert op Keith Emerson’s aankondiging “We’re gonna give ya Pictures at an Exhibition”? De muziek was immers nog niet op elpee verschenen en weinigen zullen gedacht hebben “hé, leuk, een uitvoering van Mussorgsky’s pianosuite”.
Wellicht zullen de fans die op 26 maart 1971 aanwezig waren in de City Hall van Newcastle, gehoord hebben van het optreden van Emerson, Lake & Palmer tijdens het roemruchte Isle of Wight festival in 1970. Daar had het pas opgerichte trio het werk reeds laten horen en het onmiddellijk tot een cultstatus verheven.

Keith Emerson was niet de eerste die het werk van de Russische componist Modest Mussorgsky (1839-1881) onder handen had genomen. Maurice Ravel had de oorspronkelijke pianosuite reeds eerder geheel georkestreerd en het is deze versie die in de klassieke muziekwereld de meeste bekendheid geniet.
Mussorgsky had zich bij zijn compositie uit 1874 laten inspireren door schilderijen van de architect Hartmann en wel in de vorm van een bezoek aan een tentoonstelling. ELP beperkten het aantal schilderijen, voegden er een eigen prent aan toe (‘The Sage’) en improviseerden er tussendoor lustig op los (‘Blues Variation’). Maar precies zoals op het origineel begint het bezoek aan de tentoonstelling met een korte wandeling: ‘Promenade’. Rustig en bedaard, zoals het in een museum betaamt (tempo:
1 kwartnoot = 94):



Na deze ingetogen gespeelde zinnen barst het geweld van het kerkorgel van de City Hall los en daarmee geeft Keith Emerson een fraaie draai aan het origineel. De ‘Promenade’ is de verbindende schakel in het geheel. Het symboliseert de slentering naar het volgende schilderij. ELP laten het twee keer terugkeren, eerst in een verstilde versie met toegevoegde zang van Greg Lake, later in een volle en versnelde vorm, uitgevoerd door de gehele band. Het beeld van de kalme tred van de geïnteresseerde bezoeker wordt daarmee makkelijk verdrongen door dat van klierende jongeren, die elkaar door de museumzalen najagen.

Hoe je ook over de uitvoering denkt, de beoordelingen zijn nogal divers van toon, de heren hebben zich er niet makkelijk van afgemaakt. En het ‘eigen’ schilderij misstaat zeker niet. ‘The Sage’ is een ballad, zoals alleen Greg Lake ze kan maken: een trage, mooie zangmelodie boven een tokkelende akoestische gitaar (tempo: 1 kwartnoot = 80):



Lake vervolgt met een knap stukje gitaarspel, beter uitgewerkt dan we kennen van vergelijkbare stukken van zijn hand.
ELP hadden de muziek oorspronkelijk willen uitbrengen als bonus-lp bij ‘Tarkus’. Het werd uiteindelijk een aparte uitgave tegen een vrienden- prijs. Dit zegt wel iets over het gladde ijs waarop de heren zich met het album meenden te begeven. Terugkijkend is het in ieder geval hun grote verdienste dat zij met de muziek veel jongeren op het spoor hebben gebracht van de klassieke muziek in het algemeen en van de Russische meester Mussorgsky in het bijzonder.
Peter Swart (06-2007)


Dit artikel wordt ook gepubliceerd in Tijdschrift iO Pages nr. 81/eind juni 2008


Volume 7:
Yes – And You And I (1972)

In de tijd van het album ‘Magnification’(2001) deed Yes tijdens zijn Europese tournee de Rotterdamse Ahoy Hal aan. In de bezetting Ander- son, Wakeman, Howe, Squire en White was de band die avond geweldig op dreef en het geluid was ter plaatse van mijn staanplek schitterend. Mijn hart sloeg over toen er bij Rick Wakeman iets haperde aan het klavier onder zijn rechterhand en bijregelen noodzakelijk was. Door mijn toneelkij- kertje zag ik de geconcentreerde en bezorgde blik van de toetsenist. Zelf- verzekerd draaide hij met rechts aan de knoppen, terwijl de linkerhand op een ander klavier, buiten zijn gezichtsveld, rustig doorspeelde. Een indruk- wekkend staaltje vakmanschap en professionalisme.
Het muzikale hoogtepunt van het concert vond ik het mooie ‘And You And I’ van het, toen dertig jaar oude, album ‘Close To The Edge’. Na het akoestische gitaarintro valt de Mini Moog bij en zingt Jon Anderson een rustig couplet op een zich telkens herhalend schema. De band valt stil en boven een gitaarbegeleiding klinken de zinnen “And you and I climb over the sea to the valley, and you and I reach out for reasons to call”. En dan komt het: onder het laatste woord klinkt langzaam een Mellotron op. Iedereen houdt als het ware de adem in, het geluid zwelt aan en spat uiteen in één van de topmomenten van de symfonische rock. Tijdens het concert barst het licht uit zijn voegen en heft Anderson de armen, met de blik omhoog, alsof de melodie ons door de hemel geschonken wordt. Die avond had ik dat nog graag willen geloven ook. Het tempo is traag,
1 kwartnoot = 58:



De instrumentatie-opbouw is prachtig: de eerste zin wordt gedomineerd door Wakeman’s Mellotron, de Mini Moog valt bij en in de tweede zin vliegen slideklanken van Howe’s gitaar de melodie binnen. De muziek krijgt een ritmischer vervolg met een toenemende inbreng van de gitaar:



Het hoofdthema keert terug maar nu vermengd met de melodie uit de derde zin. Slechts de aandachtige luisteraar zal beide goed uit elkaar kun- nen houden:


Let u ook eens op de wisseling van toonaard: de hoofdmelodie herhaalt zich telkens vanuit een andere toonhoogte.
In het vervolg van het nummer wordt het thema nog tweemaal in verkorte vorm ten tonele gevoerd maar zonder de ‘ingehouden adem’ van de eerste keer. Misschien is het juist wel dat moment van stilte vooraf, dat de intense muziek zo’n magische lading geeft. Want magisch is het als een concert- moment van jaren terug nog met zoveel gemak op te roepen is.
Peter Swart (05-2007)


Dit artikel wordt ook gepubliceerd in Tijdschrift iO Pages nr. 80/medio mei 2008


Volume Six:
King Crimson – The Court Of The Crimson King (1969)

In 1963 werd de eerste mellotron geproduceerd, als een nieuw ‘home entertainment keyboard’. Een mooi maar kwetsbaar apparaat: onder iedere toets zaten magnetische tapes, met daarop strijkers-, blazers- en koor- opnames. Bij de aanslag ging een bandje lopen, bij het loslaten werd dit weer teruggespoeld. Hierdoor niet bepaald geschikt voor flitsende loopjes, maar wel voor trage orkestrale passages. En dát was interessant voor experimenteel ingestelde popmuzikanten, waardoor het instrument een belangrijk aandeel verwierf in het ontstaan van de symfonische rock. Enkele voorbeelden: The Beatles met ‘Strawberry Fields’, The Moody Blues, Yes, in Nederland Earth & Fire en Kayak. En natuurlijk Genesis, waarvan de leden in hun 'cottage' tijdens de 'Trespass'-periode ademloos luisterden naar het opzienbarende debuut van King Crimson: ‘In The Court Of The Crimson King’.
Vanaf de openingsseconden van ‘Epitaph’ is de mellotron prominent aan- wezig, om later te stralen in het titelnummer, dat vrijwel geheel door het instrument gedragen wordt. Al tijdens het intro van ‘The Court Of The Crimson King’ treedt het naar voren, waarbij Ian McDonald de stringtapes gebruikt (tempo: 1 kwartnoot = 72):



Het intro blijkt tevens het hoofdthema van het nummer en zal in totaal zo’n keer of tien terugkeren. Steeds dezelfde paar noten - u ziet, veel zijn het er niet - terwijl drummer Michael Giles er met wisselende 'fills' in maat vier voor zorgt dat het nergens saai wordt.
Greg Lake rijgt de stukken aaneen met lyrische coupletten, begeleid door akoestische gitaar. In het intro moet de mellotron het nog alleen doen, vanaf de tweede keer wordt het thema meegezongen door een koor van Lake-stemmen. Hoe zouden de heren hierop gekomen zijn? Niet de koor- sectie van de mellotron, maar de strings en die vervolgens combineren met een menselijk koor: daar moet over nagedacht zijn.
Na de derde keer volgt op het thema een heuse mellotronsolo, voorzichtig en niet te snel:



Onder de melodie een opmerkelijke begeleiding van een vlotte wisselbas, staccato orgelakkoorden en bekkengetik.
Bij mijlpaal 6:42 lijkt de mellotron een eind aan het nummer te maken met een slotakkoord, dat we een jaar later vrijwel identiek zullen terughoren als afsluiter van ‘The Fountain Of Salmacis’ (ja, Genesis had inderdaad goed geluisterd). De luisteraar wordt echter 'bedrogen'. Er volgt nog een variatie, waarna de mellotron het thema nog maar eens enkele keren her- haald en dan is het toch echt afgelopen.

In 1986 rolde de laatste mellotron van de band. Hoeveel zullen er in de rockwereld gesneuveld zijn? Met zo’n kwetsbaar apparaat het busje in, op het podium neergekwakt door minder zachtzinnige roadies. Rick Wakeman schijnt er zelfs eentje te hebben verbrand.
Leve het digitale tijdperk met samples, waardoor het karakteristieke geluid weer veelvuldig door progliefhebbers te beluisteren is. Ook is het apparaat zelf weer op bescheiden schaal in productie genomen. Maar volgens puristen is de klank toch niet helemaal gelijk aan dat van de romantisch slepende bandjes. Peter Swart (03-2008)

Dit artikel wordt ook gepubliceerd in Tijdschrift iO Pages nr. 79/medio maart 2008


Volume Five: Camel – The Snow Goose (1975)


Toen ik in de laat zeventiger jaren kennis maakte met ‘The Lord of the Rings’ van Tolkien, lag ‘The Snow Goose’ op de draaitafel aardig grijs te worden. Op de één of andere manier paste de muziek voor mij wonderwel bij de magie van de verhalen. Het is dan ook een uitzonderlijk beeldend werk, dit derde album van Camel. Niet gebaseerd op Tolkien, daarvan waren eerder op ‘Mirage’ sporen te vinden, maar geïnspireerd door de gelijknamige roman van Paul Gallico. Menig scholier uit die tijd had het op de boekenlijst Engels staan. Het was immers een lekker dun boekje. Gallico daarentegen was helemaal niet zo gelukkig met de aandacht van Camel voor zijn verhaal. Als anti-roker wilde hij aanvankelijk niets met de band te maken hebben.

‘The Snow Goose’ is een bron van heerlijke thema’s en melodieën, uitgevoerd door gitaar, toets- en blaasinstrumenten. Al snel klinkt ‘Rhayader’, vertolkt door dwarsfluit, begeleid door piano. Na een aarzelend begin wordt het tempo opgevoerd (tot 1 kwartnoot = 132):



De ritmesectie voegt zich bij de twee akoestische instrumenten, waardoor een vlot bandnummer ontstaat, dat Camel meestal opnam in de live-setlist.
Stevig toetsen- en gitaarwerk leiden de luisteraar naar een prachtig rust- punt: ‘Sanctuary’. Een heldere elektrische gitaar boven een getokkelde klassieke (1 kwartnoot = 88):



Moet te doen zijn voor de serieuze amateur. Daar kun je mooie sier mee maken in de muziekzaak als je een instrument of versterker uittest.

Camel heeft ‘The Snow Goose’ in oktober 1975, kun je nagaan hoe snel het album zijn weg vond, in The Royal Albert Hall te Londen uitgevoerd met The London Symphony Orchestra. Wat zal 'Friendship’ er prachtig geklonken hebben: een in triolen spelende fagot, die eerst de hobo bege- leidt en vervolgens de klarinet. Hun melodie is de volgende (1 kwartnoot = 92):


In de volgende minuut wordt het thema van alle kanten door de blazers omspeeld. En dat op een popalbum.
Ach, er staat nog zoveel meer moois op ‘The Snow Goose’. Heerlijke symfonische rock, die ook bij liefhebbers van klassieke muziek in de smaak zal vallen. Peter Swart (11-2007)


Dit artikel is ook gepubliceerd in Tijdschrift iO Pages nr 77 van 8 december 2007


Volume Four:
Dream Theater – In The Presence Of Enemies (2007)

De twee concerten van Dream Theater die ik heb bijgewoond werden bezocht door vele muzikanten. Jongens in T-shirts van een bekend drumbekkenproducent bespraken in de pauze enthousiast de verrichtingen van hun held Mike Portnoy en gitaristen volgden likkebaardend of bedremmeld de prestaties van John Petrucci. Nu moet je als (amateur)gitarist ook wel sterk in je schoenen staan om Petrucci te zien excelleren: óf je gaat naar huis om je gitaar in opwinding nog even op te pakken óf je durft het apparaat dagenlang niet meer aan te raken. Wat Petrucci uitvoert is doorgaans onnavolgbaar, maar de man heeft ook een andere, een meer lyrische kant. Hij kan op sublieme wijze trage melodieën spelen, met een heldere klank en een mooie sustain. En zo biedt hij oefenmateriaal, dat binnen het bereik komt van de geïnteresseerde gitarist.
Het jongste album van Dream Theater, ‘Systematic Chaos’, bevat hiervan een heerlijk voorbeeld. Het hoofdthema van de epic ‘In The Presence Of Enemies’ wordt gedragen door de gitaar, om te worden vastgehouden door de keyboards van Jordan Rudess in de maten, waarin John Petrucci het nodig vindt fills te moeten maken. Hieronder laat ik deze uitstapjes buiten beschouwing, waardoor we een melodie overhouden, die zelfs op dwarsfluit prachtig klinkt.
Het thema valt in drie delen uiteen en wordt ingezet na een spannende instrumentale inleiding van ruim 2 minuten. Op mijlpaal 2.10 zet Petrucci in, het tempo ◊ = 68, de toonsoort is A mineur:




Vervolgens wordt het thema herhaald, maar dan een kwint hoger in de toonaard E mineur:



E mineur wordt weer verlaten en er volgen twee heldere zinnen, gedragen door een breder toetsentapijt:




Terwijl Petrucci de melodie traag vervolgt, verandert de begeleiding van karakter: stuwende bas en drums en wervelende riedels van Rudess helpen het thema naar een climax:




Een hoge e, gevolgd door enkele rustige maten, gevuld door Portnoy’s bekkens. John Petrucci is echter geen rust gegund, want zijn tokkelende gitaar luidt een losgaande band in.
Tijdens ‘In The Presence Of Enemies – Part II’ komt het begin van de melodie nog een keer terug, nu gespeeld door Jordan Rudess op synthe- sizer. En daarmee vormt het ijzersterke thema kop en staart van een ijzersterk album. Peter Swart (09-2007)


Volume Three:
Genesis – Firth of Fifth (1973)


Je zult maar een wonderschone gitaarmelodie schrijven, enkele jaren later uit de band stappen en vervolgens moeten toezien hoe jouw vervanger op de bühne de melodie gebruikt als startpunt voor een eigen interpretatie … Gitarist Daryl Stuermer had bij mij volledig afgedaan, nadat hij tijdens de ‘And Then There Were Three’- tour van Genesis de bewuste sublieme partij van Steve Hackett niet volledig gerespecteerd had.
In het mei/juni-nummer van iO Pages spreekt Freek Wolff met Stuermer in het kader van het Genesis-optreden in Nederland. Daryl vertelt daarin ondermeer over het spelen van ‘Firth of Fifth’: “Als ik bijvoorbeeld de solo van ‘Firth Of Fifth’ speel, begin ik zeker met een paar noten die Steve speelde, want het lijkt wel of dat zo geschreven is. In het midden kan ik dan variëren, maar dan kom ik toch terug op zijn melodie. Zo voelt dat goed en dat is prachtig om te doen.” Aardige woorden en Daryl maakt in het hele interview best een sympathieke indruk, maar “…een paar noten…” en “…in het midden kan ik variëren…” Grrr….
‘Firth Of Fifth’, het derde nummer van het album ‘Selling England By The Pound’, is ruim drie minuten onderweg als Peter Gabriel op dwarsfluit, begeleid door de piano van Tony Banks, de instrumentale inleiding inzet, die zal uitmonden in misschien wel de mooiste gitaarmelodie uit de symfonische rockgeschiedenis. De toonaard is allang niet meer dezelfde als die waarmee het nummer begon. Op mijlpaalmoment 5.43 laat Steve Hackett een fis zweven, die het begin vormt van zijn ‘finest moment’:



Na de laatste noot, een heldere, vibratieloze fis van maar liefst elf kwarttellen lang, volgt de kern van de partij, al enigszins bekend voorkomend dankzij Gabriels dwarsfluit:



Let u vooral ook eens op de rol die Michael Rutherford speelt. Tijdens de eerste ronde van het hoofdthema begeleidt hij Steve met een stuwende basgitaar, tijdens de tweede keer met een heldere gitaartokkel en dramatische Tauruspedals. Na een tussenfase volgt een reprise, waarin het dit keer Phil Collins is die de begeleiding nieuwe impulsen geeft met verrassende drumfills.De instrumentale passage ebt weg, waarna Gabriel het nummer met magistrale zinnen als “Now as the river dissolves in sea, so Neptune has claimed another soul" tot een indrukwekkend slot brengt, de aandachtige luisteraar ademloos achterlatend. Peter Swart


Volume Two: Steve Hackett - Kim (1978)


Op zijn tweede soloalbum 'Please Don't Touch' (1978) bracht Steve met broer John het romantische 'Kim'. Dwarsfluit en klassieke gitaar komen tot een hommage aan Steve's partner Kim Poor, de Braziliaanse kunstenares, wier schilderijen de hoezen van vele Hackett-albums sieren. Een prach- tig 'liefdesliedje' in 3-kwartsmaat. Geen vrolijke wals á la Strauss maar gelijkmatig en langzaam te spelen, met af en toe zelfs een hoofdaccent op de tweede tel:



Helemaal
oorspronkelijk kan 'Kim' niet genoemd worden. Het nummer heeft een sterke verwantschap met pianostukken van de Franse componist Erik Satie (1866-1925). Menig pianostudent heeft zich door diens 'Gymno- pédies' en 'Gnossiennes' moeten worstelen. Met plezier natuurlijk, want het zijn juweeltjes. Ter vergelijking hieronder de hoofdmelodie van Satie's 'Gym- nopédie no.1' 'Lente et doucement' uit te voeren.




Steve Hackett
heeft nooit geheimzinnig gedaan over zijn bewondering
voor Satie. Het heeft in 2000 zelfs geleid tot de cd 'Sketches of Satie', wederom samen met brother John. Een mooie verzameling Satie-stukken, bewerkt voor dwarsfluit en gitaar. Voor de liefhebber van klassieke muziek, dat wel.
Peter Swart

Volume One: Sylvan - Posthumous Silence (2006)

Er is al veel moois geschreven over het album 'Posthumous Silence' van de Duitse band Sylvan. Het is een conceptalbum en bij een dergelijk project horen natuurlijk hoofd- en neventhema’s.
Het hoofdthema van het werk, de ‘rode draad’ zogezegd, is voor het eerst te horen in 'Bequest Of Tears' (track 2), waarin de vaderfiguur het dagboek vindt dat zijn pas gestorven dochter heeft bijgehouden gedurende haar laatste levensdagen. Een langzame, droevige melodie, prachtig gespeeld door de piano:



Een stukje in D mineur dat, als je niet oppast, de hele dag in je hoofd kan blijven rondzingen. Niet verwonderlijk dus dat het later terugkeert in 'Message From The Past' (track 12), als vader de laatste woorden van zijn dochter leest en een enorm schuldgevoel hem overvalt. De melodie wordt hier uitgevoerd door de cello, die aanvankelijk de pianolijn uit track 2 volgt, en er een variatie op laat volgen.
Hoe sterk het thema is blijkt uit 'Posthumous Silence', de slottrack van het album. Vader laat het dagboek vallen en wordt overweldigd door verdriet. Maar het is ons aller verdriet: “We, who have failed to understand and to save our child …” Het nummer start met de piano die de originele melodie volgt, waarna bij minuutmijlpaal 1:58 de prachtige gitaarsolo begint die het thema majestueus uitbouwt. Een waardig slot van een indrukwekkend album, waarmee Sylvan de symfonische rock verrijkt heeft met een heerlijke melodie. Peter Swart


AFTERglow: de eerste site met progmelodielijnen

Eind 70-er jaren was er The Neosinfonia Association, een vereniging van fanatieke aanhangers van symfonische rock. Onder de bezielende leiding van Peter van der Laan werd het tijdschrift 'Symfonic Credo' volgeschreven met reviews, interviews en achtergrondverhalen. Mijn bijdrage bestond uit het publiceren van bladmuziek. Collega-muzikanten onder u kennen het wel: een stuk opnemen op cassette en dat vervolgens maat voor maat eindeloos afdraaien tot je de juiste noten te pakken hebt. Zo ontstonden partituren van gitaarstukjes uit de symfonische popmuziek.
In Symfonic Credo nr. 7 (mei-juni 1979) drukten wij bijvoorbeeld het luit-intro af van ‘Ondine’, een prachtige track van de elpee ‘Aerie Faerie Nonsense’ van The Enid. De componist van het stuk, Francis Lickerish, heeft hierop gereageerd door middel van een kritische brief en het toezenden van een kopie van de originele handgeschreven partituur. Hij vond de bewerking een te grote vereenvoudiging; wij vonden het fantastisch dat een muzikant de moeite nam te reageren.
In de nieuwe rubriek 'No Notes, No Number' geeft AFTERglow op vergelijkbare wijze aandacht aan thema’s en melodieën uit de progressive rock. Het zal niet gaan om volledig uitgewerkte partijen, dat is uiteraard een zaak van de componist in kwestie. Wij denken meer aan melodielijnen met toelichting, zodat een ieder die een instrument bespeelt zich nader in het werk kan verdiepen. Dit brengt natuurlijk een vereenvoudiging van het origineel met zich mee… en nu maar hopen dat betrokken componisten zich geroepen voelen te reageren. Morgen Volume One van deze rubriek met een thema van de Duitse band Sylvan.
Peter Swart